Zoeken

Spring naar content

De positie van de separatist lijkt sterk door het pandrecht echter het bodemvoorrecht van de fiscus gaat in sommige gevallen voor. Door het bodemvoorrecht gaat de opbrengst van (stil) verpande zaken in faillissement niet naar de pandhouder maar naar de fiscus. Dit geldt dan voor bepaalde belastingen en alleen voor de opbrengst van de bodemzaken. Bodemzaken zijn die zaken die altijd op de bodem van het bedrijf staan. Dit zijn het machinepark en de inventaris (voorraden en debiteuren vallen hier niet onder) en dit zijn vaak juist de activa met de hoogste waarde. De belastingdienst gaat dan dus vóór de (stille) pandhouder. Indien de fiscus bodembeslag legt geldt dit ook buiten faillissement.

De consequentie van bodembeslag
De fiscus kan voor openstaande belastingvorderingen beslag leggen op goederen van de onderneming. Door het leggen van bodembeslag gaat de fiscus voor de pandhouder. Dit kan zeer nadelige gevolgen hebben voor de verdeling van de opbrengst en de restschuld die hierdoor ontstaat. Temeer indien er aan de pandhouder (meestal de bank) een borgtocht of mede aansprakelijkheid (compte-joint) is afgegeven. Een pandhouder zal daarom bij een dreigend faillissement het stille pandrecht willen omzetten in een vuistpandrecht door de verpande zaken onder zich te nemen en zo de fiscus te snel af te zijn.

Sinds 1 april 2013 is er een meldingsplicht indien een pandhouder tot in vuistpandname wil overgaan. De melding dient gedaan te worden aan de belastingdienst. De fiscus heeft vervolgens vier weken de tijd om (bodem) beslag te leggen. En voorzover de fiscus nog niet wakker was, is zij dit na deze melding wel. Indien de fiscus geen actie onderneemt heeft de pandhouder vervolgens vier weken de tijd om zijn rechten uit te oefenen.